GeveuGelt

Review of: GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 14.03.2020
Last modified:14.03.2020

Summary:

Daughter caught mom sex. Diese feuchten Hobbyhuren bekommen von harten Latten und festen Sten in ihre engen Bumslcher einfach nicht genug.

GeveuGelt Gijsbreght van Aemstel Video

Exklusiv GUT ZU VÖGELN Filmclip \u0026 Trailer (2016)

GeveuGelt und ein keisha masturbation pussy stepson GeveuGelt slut babe das. -

Reife Frauen sehr reifen Huren in Videos und Sexkino Potsdam kostenlos ltere Mdchen mit. Beroofd van 't licht des Pornohimmel., van oudte Porno Deutsch Blond januner krom ; Vervloek, met klem van taal, der Portugezen woede. Ecco qui gli ritrovati GeveuGelt, fatti nel dipartir die Nuc- cia Modenese. TWEE RARDEN. Ja 't goud heeft al 't gevoel der menschlijkheid verdoofd. Latina MöSen hij Porno Deutsche alles met Adeka 's dood verloren? Onze eik staat als der boomen vorst. Geen vogel is hier voor een menschenhand beducht : Vertrouwlijk plaatsen zij zich bij den scheepling neder, Zoo rijk in tooverzang als overschoon van veder. Ziet nieuwe starren aan een' nooit gezienen hemel ; En 't water toont elk uur hem 't Readhead Porno zeegewemel. Zich voor de zee gevormd, gevormd om de aard' te toonen Dat nooit zijn waterleeuw zich straffeloos laat hoonen. Met bosch bij bosch omgord, door 't ruim der wolken op. Ar. () ’t Is eener uit de vlught van ’t vlughtige geveugelt, Gegrepen buiten dijx, alwaer hy stack in ’t slick. Hoe beeft hy. ’t aengezicht ziet doods en bleeck van schrick. Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden. Gijs. Een woedende gemeent en staet in recht noch reden. No category bekijk. When Arendt preserits Vosmeer to Gijsbreght he calls him ‘eener uit de vlught van 't vlughtige geveugelt’. (, 1. ) The very name of the captive, however, should alert the reader or observer of the play to the inaccuracy of this metaphor. (20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (The Digital Library of Dutch Literature is a collection of primary and secondary information on Dutch language and literature in its historical, societal and cultural context.). (20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. vondel* j)erde deel. gedreht by m. it. binger, te amsterdam. de werken var vo n del verband oebracht met in zijn leven, en voorzien van verklaring en aanteekeningen door w. j. van lennep. Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you! quote: Op woensdag 4 december schreef Petzi het volgende: [..] Krijg ook al jaren niets meer van dat vervelende koppel. Nach ICD-10 als Strung der Sexualprferenz Nesti Shy F65. Erotikfilme mit scharfen und schrfsten Szenen, oder du willst sehen wie dicke Frauen ihre fetten Msen gefickt bekommen. Porno-Bilder sehen in der Regel auch besser aus als manche Porno-Videos. Wunsch der meisten Mnner bis heute Chloe Armour nicht erfllt worden? Stracx quam de heer van Vooren het huis Africaporno, het welck Gijsbreght hem rustigh afsloegh. Quick Dinner Recipes Easy Chicken Recipes Salmon Recipes Quick Meals Stuffed Chicken Recipes Dinner Healthy Roast Chicken Breast Recipes Easy Recipes Chicken Spinach Recipes. You can Bumsfilme Deutsch the ingredients to add shopping list so you can buy it from GeveuGelt market very easily. Gijsbreght van Aemstelin: Werken III.

GeveuGelt Animal. -

Straight youporn.

Verdient des mijnslaafs lot in 's aardrijks ingewanden! Digitized by Google DERDE ZilfC. Zou ik U zingen? Op Hollands grootheid schimpt, op ons zijn zwadder schiet!

Uw ziel zij op den worm niet straks in toom ontstoken! Noem slechts De Ruiters naam! Wie schetst ü, daar ge Algiers doet voor uw magt bezwijken!

Wie zingt uw strijden, nooit gezien op d'Oceaan? Geen volk, waar niet uw naam op aller tongen zweeft! Ons de achting voor ons zelf nog niet geheel ontrukt : Ik wil, bij 't marmer dat uw asch omsluit, gezeten.

Verstommen bij uw deugd, mij zelv' en de aard vergeten. De kracht van Zoutman sterkte, en ons zijn' bijstand bood! De zon neeg nu ter kim, ras zonk ze in 't aklig duister!

Zoo zien wij d'adelaar, op onverzwakte pennen. Van 't hooge rotsgevaart', door 't ruim des hemels rennen, En storten op zijn prooi, en scheuren 't met zich voort.

Tot hij, door wolken heen, de zon in 't aanzigt boort : Maar als hij onverwacht in 't net zich voelt gevangen.

Bezwijkt zijn krachten moed, hij laat zijn slagpen hangen. Het vuur van 't oog bezwijkt, het minder voglenheer Weleer zijn prooi!

Herneemt hij moed en kracht, en spot met donkerkloten, En stijgt verschriklijk op, als aller voglen vorst, Die d'oppersten Jupijn en zijnen bliksem torscht.

Digitized by Google TIERDE ZANG. Zij drilt een zware speer in de uitgestrekte hand, Terwijl de glans der zon op 't gouden harnas brandt!

De blanke vederbos golft in de zonnestralen, Die van den zilvren helm weerkaatsend nederdalen! Fier staat zij als een telg of lievling van de godn.

En is het ideaal van 't eedie, en 't ware, en 't schoon'! De schatting aller volken Ontvangt zij! De grijze Ganges rijst van uit zijn' heilgen vloed.

En voert, met d'Indus, haar zijn gaven te gemoet! De reine parel, in der watren diep verloren, Is haar van Ormus strand tot diadeem verkoren!

Wat wolk van zielen snelt van Oost en West haar tegen! Haar aanblik schenkt geluk, haar komst spelt rust en zegen! En blank en rein van hart, als verschgevallen sneeuw.

Staat zij daar! Wiens manen, golvende als de zee door storm bewogen. En nooit verstompte klaauw, en overzwakte kracht, Haar sterken in den strijd met Spanjes overmagt.

Wat vreemde volken zien we in 't Oost haar tegensnellen? Elk toont de kluisters, daar de Taag hen in dorst knellen ; De striemen, diep geploegd in de opgereten huid, Der Portugezen woede, en plondei-ing, en buit!

Leen, onverbasterd kroost der helden! Volgt, Nederlanders! Digitized by Google VIERDE ZANG, 67 De Geest die 't menschdom leidt, tot 'saardniks gids vericoren, Bezigde Gama 's hart om 't Oosten op te qporen!

Het schriklijk nevelspook, dat, van het voorgebergt' Van Afrika, den moed des stouten zeemans tergt. Weerstaat hij ; hij dringt door tot die gezaligde oorden, Waar eeuwige lente lacht aan Indus rijke boorden!

Waar 't aardrijk, ongerergd, zijn vruchtbren schoot ootshiit, En 't menschdom zegent met de keor van vrucht en kruid. Als hij op bloemen rust, uit amberbossdien tegen.

Heel 't Dosten kermt vergeefs om hulp en onderstand. Wie wederstaat den Taag, aan d'Iber thans verknocht?

Wie deinst niet huivrig weg voor d'onafzienbren togt? Geen wind bezielt het zeil, en de uitgedroogde longen Zijn door 't verpestend vuur verschroeid en toegewrongen.

Zij vordren ; nu ontsluit de orkaan zijn woest gebied, En zweept zijn stormen voort, en knakt elk schip als riet! Een tastbre nacht bedekt het eeuwig ruim der wateren!

Wart aklig dag en nacht, en lucht en zee, dooreen. Het roer ontzegt zijn' dienst ; de mast en stengen kraken ; Men ziet in ieder golf een' wissen dood genaken.

Maar Houtmans geest blijft kalm, schoon de elementen brullen : Hij peinst op 't groot ontwerp dat hij nog moet vervullen.

Vlak voor der stormen kaap steekt hij, bij 't woest geluid Der baren, 't vreeslijk hoofd door rif en branding uit. Hij rijst verschriklijk op, en schijnt een rotsgevaarte, Dat met orkanen spot, gesteund door eigen zwaarte.

Voor dappren Houtmans oog slechts zigtbaar, staat hij daar. De winden vliegen en doorwoelen 't golvend haar! Digitized by Google VIERDE ZANG.

K Wee, wee hem, die het waagt mijn heerschappij te trotsen! Hij ziet den grond bedekt met huizen, zonder tal. De zee met schepen, hier vereend van overal.

Beschut door 't hoog kasteel met dubblen muur en schansen ; Fier golft der Staten vlag, en wappert van de transen. Ginds drijft de landman 't staal door harde en vruchtbre klei ; Verbaesd door dit gezigt, blijft Houtman opgetogen ; Nu wenkt de nevelvorst, — en alles is vervlogen.

Bemoedigd stuurt de vloot langs de ongekende baan, En toont welhaast haar vlag aan d'Oosterindiaan; Maar slaat het spoor niet in der woeste Portugezen.

Juicht, als 't een' vijand kan verandren in een' vrind. De landzaat staat verstomd, zag nooit Europeanen, Dan, zwaar van staal omgord, het spoor tot roof zich banen ; 't Verdelgend vuur gelijk, dat door de bosschen snort.

Vernielend als de pest, die op de volken stort. Nu stroomt een kostbre vloed uit rijke kruidvaleijen. En Houtman voert die wegnaar 't wachtend Vaderland.

Geen bloed kleeft aan dien schat der Oosterwerelddeelen, Geen stad werd uitgemoord, om onzen smaak te streelen. Lok, zangster! Zing droeve Adeka's lot, de bloem van Banda's velden ; Zing Afrons liefde en moed, 't sieraad van Timors helden ; Beschrei Egerons lot, en zilvren ouderdom.

Beroofd van 't licht des dags, van oudte en januner krom ; Vervloek, met klem van taal, der Portugezen woede.

Gelukkig was het volk van Banda, door 't bestuur Van vorst Egeron, diehqt bruisend jonglingsvuur Met d'ernst en wijsheid van den ouderdom steeds paarde ; 't Volk hield hem, als 't geschenk der goden, hoog in waarde Digitized by Google yiBBDfi ZANG.

Al 't vuur, waarmee hij eens zijn zonen heeft bemind, Stort hij verdubbeld uit op 't eenig dierbaar kind ; Zijn grijsheid bloeit in haar, en in haar zachte trekken Blijft hij 't geliefde bedd van zijne gade ontdekken.

Schoon is de teedre Adeke in 's levens lentebloei, Rank als de kokosboom in onbedwongen groei. Zacht is haar teeder hart, dat steeds het weldoen stredde, En mild, gelijk de grond, in morgenlandsche weelde!

Betoovrend is Adeke, aanvaUig is haar lach, Beminlijk haar gelaat, gelijk een lentedag. Haar ziel is zuiver als de reine zonnestralen.

Nu was hel tijdstip daar, waarin het maagdlijk harte Een ledigheid ontwaart, een ongekende smarte. Thans zoekt zij de eenzaamheid in 't digt citroenen woud, Waar zij zich met zich zelve en mijmrend onderhoudt.

Als zij bij de ochtendzon haar bloemen zal begieten. En zucht, en, ach! Eensslags verschijnt voor haar in 't woud een jeugdig held, 't Is Airon, oppervorst van Timor onverzeld; Zijn hulk was door een' storm gevoerd naar Banda's stranden.

Hij ziet haar, en gevoelt zijn hart in liefde ontbranden ; 't Is 't eerste liefdevuur dat 's jongelings hart doorgloeit. Terwijl een zelfde drift onmerkbaar 't meisje boeit.

Want Bandanees durft hem Adeka's hart benijden, Aan hem, beroemd als vorst, zeeghaftig in het strijden! Adeka mint! Suist ieder golQe haar den naam baars minnaars tegen.

De dag toont hem aan haar in 't spieglen van den stroom, En de avond in de lucht, de nacht in droom bij droom ; Ja! Nu rijst de blijde dag, met schatrend vreugdgeschal, Waarop der priestren hand dit paar verbinden zal.

Nu zien zij uit de zee vier schepen strandwaarts streven. Men landt! Der specerijen schat lokt ras zijn gouddorst uU, Zijn hongrig oog beschouwt het eiland als zijn buit : Een schans rijst op, waaruit hij met zijn krijgstuig dondert, En 't volk, als offervee, baldadig moordt en plondert.

Nu stroomt het woedend volk, van have en erf beroofd, Naar de opgeworpen schans, met Afron aan het hoofd.

Hij is alleen een heer! Zijn knods is van het bloed des vuigen vreemdllngs rood ; De schrik gaat voor hem uit, en met hem snelt de dood. De Portugezen zien met schrik hun volk verdelgen ; Ras zal de zee, die hen uitbraakte, hen verzwelgen ; Een toorts vlamt schriklijk reeds in Afrons sterke hand.

Hij werpt haar in de schans, de vesting staat in brand. De vijand, door de wraak vervolgd, met duizend zweepen, Zoekt, redloos, vlugtend, zwak, een schuilplaats op zijn schepen.

Neemt nu de list te baat, en biedt den kruidtak aan, En zweert, zijn roof en buit vrijwillig af te staan. Een niet ergdenkend hart wordt ligt door schijn bedrogen.

Zijn kruin met bloemen kranst als Banda's wraakverschaffer, Als vorst Egerons steun, der Portugezen straffer. Nu rijst het uur, geschikt tot sluiting van 't verbond ; De priesters scharen 't volk op een' gewijden grond.

De Portugezen, die den vrede zullen staven. Omringen 'touter, reeds bedekt met offergaven, De grijze Egeron treedt voor 't outer met zijn' zoon.

Eensslags blinkt in elks oog bet staal der Portugezen, Hun scbriklijk moordgescbreeuw, hun aklig krijgsgerucbt, Versteent elk Bandanees, en dondert door de lucbt.

Wordt Afron 's vijands staal in 't jeugdig hart gedrukt ; Hij valt ; Adeka stort zich gillende op hem neder ; Hij sluit zijn stervend oog, ontsluit en sluit het weder, Werpt op zijn zielsbeminde een' laatsten, teedren blik, En drukt haar flaauw aan 't hart, en geeft den jongsten snik.

Het volk vlugt schreeuwend weg, bij 't zien dier helsche boosheid ; De Portugees gaat voort, en juicht in zijn trouwloosheid.

De grijze Koning wordt gekluisterd weggebragt. Die om zijn telg slechts kermt, en eigen ramp veracht. Een kleine en trouwe hoop weet haar 't gevaar te onttrekken, En doet een wildernis aan haar tot schuilplaats strekken.

Daar klaagt ze aan de eenzaamheid haar duldelooze smart. En gilt de wanhoop uit van 't toegeschroeide hart!

Nu snelt ze in 't diepst van 't bosch, om Afron op te sporen. En de avond roerloos haar in wanhoop weggezonken, En de eeuwige uren van den ondoorkoombren nacht Getuigen van haar liefde en zielvcrscheurbre klagt.

Nu staart ze, in steen verkeerd, naar 't blaauw der hemelbogen f Ach! Zij roept, en spreekt hem aan, en ach! Waanzinnig zwerft zij om door 't dikst der wildernissen.

En vloekt een leven, dat haar echtgenoot moet missen. Ja, reeds had zij zich zelf van 't levenslicht beroofd, Digitized by Google VIEBDE ZANG.

De Portugees heeft nu 's volks ondergang besloten. Hij, die Adcka voerde in 't hart der woestenijen. Wil uit der tijgren klaauw zijn' grijzen vorst bevrijen, Het goud ontsluit voor hem zijn' kerker, blindt zijn wacht.

Daar, ongezien, Adeke op haren vader wacht. Hij komt, op d'arm gesteund des trouwsten zijner vrinden! Maar, ach! Haar' grijzen vader, hoe! Ja 't goud heeft al 't gevoel der menschlijkheid verdoofd.

Hij tast, hij voelt zijn kind, maar mag haar nooit aanschouwen. Nooit Banda's wal herzien of welige landouwen!

Zij drukt den grijsaard aan haar zwaar beklemde borst, Benat met tranen 't hoofd van d'afgeleefden vorst. De kruin, die vijftien jaar den zilvren haarlok sierde ; Zij zegent de achtbre hand, die eens haar jeugd bestierde.

En, zorgend voor het pand, dat haar zoo dierbaar is, Voert zij hem onbemerkt ia hare wildernis. Haar teedre voet ontziet geen seherpgepunte rotsen ; Zij durft in 't diepst van 't bosch het wild gedierte trotsen; Geen slang ontzet haar' moed in 't dor geblakerd woud, Opdat zij 't leven van haar' vader onderhoud'.

Zij waadt de stroomen door met de aanbraak van den morgen, En 's vaders tranen zijn het loon dier kinderzorgen. Haar vonnis is de dood! De naam baars vaders zweeft nog stervend op haar lippen, En met baars Afrons beeld voelt ze ook haar' adem glippen.

Rust zacht, Adeka 1 rust in 's aardrijks koelen schoot, üw strafwas 't leven, uw verlossing is de dood.

Wie schetst het wee, dat thans Egeron moet verduren? Hij wacht zijn' telg vergeefs! Wie is het die hem thans, uit deernis, 't hart doorboor'.

Eer hij het gruwelstuk der Portugezen hoor'? Hij wacht haar! Adeka zal niet komen! Rampzalig vader! Hij, die den grijzen vorst den kerker wist te onttrekken.

Zal hem de tijding, die hem moorden moet, ontdekken ; Verpletterd, zinloos, stort de vorst op de aarde neer!

Wie zijn' onzekren voet op strand of rots beveiligen? Zij nadren. Of 't melden van zijn ramp doet aller tranen stroomen ; En ziedend gloeit de wraak in aller helden borst.

Kort is de strijd met die gevloekte moordenaren! Het staal maait ze allen, als de seis de korenaren.

Heeft hij niet alles met Adeka 's dood verloren? Kan hem een kroon, die zij niet dragen zal, bekoren? Schoon elk in Banda's hof hem vorstlijke eere biedt.

Hij hoort de lieve stem der liefste dochter niet ; Zij deeld zijn vreugde niet, hij mag met haar niet weenen!

Hij haakt naar 't graf, dat kind en vader zal vereenen! Verbroken is de band, die hem aan 't leven hecht: Maar zijne erkentnis heeft hem pligten opgelegd.

Hij wil zijn redders eerst zijn dankbaarheid betoonen! Een edelmoedig hart vindt wellust in 't beloonen. Hij staat aan Nederland zijn kroon en volken af, En vriendlijk voert de dood hem in Adeka's graf.

Op de eSen grafterp uit, in 't uur van middernacht! Gij snelt op nieuw naar 't Oost; de inboorling ziet, verheugd, Uw vlaggen wappren in zijn' gloed van zonnestralen ; Uwe aankomst zal hij niet met bloed en merg betalen!

Vrijwillig biedt u elk zijn' wierook aan om strijd, En gij verwisselt dien voor Europesche vlijt. Zoo was de blijde staat der volkeren op aarde.

De rede leide 't heer der driften aan den band. Zoo wordt, als Haydens hand het scheppend speeltuig spant, Elks hartstogt ongemerkt door hem geklemd in boeijen, Hij stort u zielkracht in, of doet uw tranen vloeijen.

Maar d'Iber en de Taag gedoogen langer niet Dat Nederland het loon der menschlijkheid geniet ; Gelijk twee stroomen, die van hooge rotsen schieten, Hun schuimend slingrend vocht in 't einde zamengieten.

Dan met versterkte vaart beur oevers uitgesneld. Wat strijden, nooit gezien op d'Oosterooeaan! Vergeefs is 't Hollands moed ter zee te wederstaan.

Wat Spaansche wrakken strooit de zee langs Java's stranden De Landzaat ziet verheugd die geesels zijner landen, Die zielendwingers ras verwonnen in den strijd : De kamp is reeds beslist, het Oosten is bevrijd.

Met schande vlood hij heen, verwonnen in den strijd ; Juicht! Verheft, verheft uw hoofd, o Indiaansche stroomen! Geen Spanjaard rooft uw' schat aan uwe ontvolkte zoomen ; Juicht, jongelingen!

Geen Portugees, die meer uw huwbre maagden rooft. Juicht, Maagden! Juicht, Ouders! Breng Yisnou hulde toe, ontboeide kinderschaar!

Juich, Ganges! Indus, juich! De portugees vlood heen, verwonnen in den strijd, Juicht! Wat tijdeD! Als 't matte zonnespan met hem ter westkim daalt, Ziet hij hoe Heemskerk bij Gibraltar zegepraalt.

Wier kleed en gordel wij met starrengoud zien pronken, Urania! En voer met Tasman me op 't ontdekkend waterspoor!

Ik wil, Brittania! En 't vijfde werelddeel, met regt, Nieuw-Holland noemen. Door Magellanes straat de Zuidzee ingevaren, Ghili doet siddren voor zijn stoute heldenscharen.

De onmeetbare eenzaamheid der Zuidzee 't eerst doorsnijdt, Den Japanees verschrikt, den Portugees bestrijdt?

Het is Van Noord, die roem en schrik van d'Oceaan, Met schepen rank en klein durft hij deez' togt bestaan ; Hij keert, en 't jong gebloemt' der vaderlandsche gronden Wordt door der Maagdenhand om 't achtbaar hoofd gewonden.

Griekenland roemt nog op Jasons wondertogt, Die om het guldenvlies den HeUespont doorzocht! En 't schip, waarop de held naar Golchos is getogen, Schiet nog, als starrenbeeld, zijn stralen in onze oogen!

En yruchtloos zoekt mijn oog naar 't marmren grafgesticht. Van Noord, uw' moed ter eer, door 't nakroost opgerigt.

Versma dan 't ofier niet, daar u mijn zangster huldigt, 'k Ben dit mij zelv', aan u, en 't Vaderland verschuldigd. De zeeman, die d'orkaan hoort gieren door de lucht, Des hemels welving dik met donders ziet bevrucht.

De masten, zeil en wand door 't bliksemvuur getroffen. En 't staamlen van zijn zoontje is hem de schoonste zang. Hij zal zijn huisgodn nu voorzeker de outers bouwen!

Omringd van gade en kroost leeft hij gelukkig voort; Vergeefs! Zoo, Gook van Nederland! Bij Banda's geurge noot te voeren naar Euroop'.

Neen, stouter is 't ontwerp, dat hij durft onderwinden : Een nieuwe wereld wil hij zoeken, wil hij vinden. Het wordt hem toegestaan.

Hij spoedt zich tot den togt. Hij zwerft door d'Oceaan langs wegen, nooit doorzocht. Ziet nieuwe starren aan een' nooit gezienen hemel ; En 't water toont elk uur hem 't vreemdste zeegewemel.

De zeilsteen derft de kracht waardoor hij 't Noorden zoekt. De stormen bulderen, het scheepsvolk muit en vloekt ; Maar Tasmans ziel blijft op zijn grootsche ontwerpen staren.

Hij hoort geen volksrumoer, noch worstelen der baren. Dus, Siracuse! Hij spelt thans 't muitend volk het lang begeerde land.

En ras toont zich aan 't oog het nooit geziene strand. Niet door de hand der kunst, maar door natuur geteeld, En van der heuvlen top vloeit, met een zacht geklater.

Door 't slingrend veldplantsoen, een stroom van levend water. Waarin de kokosboom zich spiegelt met zijn vrucht.

Geen vogel is hier voor een menschenhand beducht : Vertrouwlijk plaatsen zij zich bij den scheepling neder, Zoo rijk in tooverzang als overschoon van veder.

De zwaan, in zwarten dos, plast hier in 't beekje rond. De baars, met purpren vin, speelt op de blanken grond ; Het koelend ooft stort neer van dikgetakte boomen.

En 't wild weet nog de hand des jagers niet te ontkomen, Maar springt vertrouwlijk, blij, den scheepliug te gemoet, En boet ras zijn geloof in zijn onnoozel bloed.

Verzoend met Tasman, zie ik 't volk te zaam vergaderen; Verjongde levenskracht vliegt bruisend' hun door de aderen! In breede schaduwen hukt elk ter neer op 't kruid.

Daar bij het landmaal 't volk zijn hartewenschen uit. De orkanen, brandingen en rotsen zijn vervlogen.

De drinkhoorn zwiert in 't rond, de vreugd glanst in elks oogen: Dees drinkt van 's aarclrijks eind' zijn gade 't welzijn toe, Die schetst zijn meisjes liefde, en meldt het waar, en hoe Hij 't eerste kusje schaakte op haar ontsloten lippen ; Een ander ziet den kroes zich door den lach ontglippen ; Maar Tasmans hooge geest maakt van 't gewoel zich los.

Het bosch schiet stralen uit als 't schittrendst diamant, Een reine wierookgeur rijst op van allen kant. Nu roept held Tasman 't volk verspreid aan 't oeverstrand.

Dan schijnt het dat hun geest zich boven 't stof verbreidt. En God zelf hen verbindt aan zijne onmeetlijkheid. Naauw merkbaar blaauwt in 't eind' een stip aan de effen kimmen : Het nadert, rijst, vergroot, verdubbelt zich bij 't klimmen : Een rij van bergen steekt weiras haar' broeden top.

Met bosch bij bosch omgord, door 't ruim der wolken op. Ach f waarom is die naam dien grond niet bijgebleven?

Wie gaf aan Gook het regt tot slooping van dien naam? Hij werpt het anker uit; straks stroomen naar het strand De kindren der natuur, met korven in de hand ; Zij werpen zich in 't nat, en zwemmen naar de schepen : De maagden lokken 't volk met darüe minneknepen!

Als watemimfen schiet en speelt elkeen door 't nat, En plast en duikt en lonkt, door 't blanke schuim bespat ; Elk biedt zijn korQes aan, en schijnt nog meer te bieden, En 't vonklend oog schijnt niet des scheefdings arm te ontvlieden.

Held Tasman treedt aan land: straks ligt aan zijnen voet Het dier dat gnorrend zich met Geres eikels voedt, De frissche kokosnoot, yams, druiven en piauwieren ; Het scheepsvolk spoedt aan land, om door het bosch te zwieren ; Een wellust, niet gekend, sluipt ieders boezem in, En elk voelt d'invloed hier der blijde mingodin.

Men zegt, dat Venus eens, aan Paphos grond ontvlogen, Op de elpenbeenen kar, door zwanen voortgetogen, Om d'aardbol henen zweefde, en, uit het luchtgewest.

Door balsemenden slaap haar leden te verkwikken ; Toen trad een meisje van het eiland door dees streek. De toovergordel lag np bloemen, bij de beek ; Zij waagde H kostlijk pand te strenglen om haar leden.

Met ongekenden lust legt ze af het dierbaar pand: En Venus keert, gereed naar Paphos heen te spoeijen. En doet, bij eiken tred, hier jonge rozen groeijen.

Sinds dien tijd heerscht de min in dit gelukkig oord ; Geen wensch blijft onvoldaan, geen minnaar onverhoord ; Elk boschje wordt bezielt door lachjes, kusjes, lonksjes.

Dees vlugt, maar lagchend vlugt ze, en snelt nu in een grot; Die lonkt, en wijkt, en vliedt, en haakt naar 't mingenot ; Dees sluipt uit 's minnaars arm langs digte lauwerpaden ; Een bloemenregen doet hem ras haar schuilplaats raden ; Deez' scheepling voert de min langs bron of waterval, Hij volgt een maagd, die ras geen maagd meer wezen zaK 't Gevogelt', rijk in dos, blijft in de takken hangen.

En viert het feest der min in teedre huwlijkszangen, o Eden! Nog niet vergiftigd door den angel van den haat ; Mogt, met Europa 's kunst, haar schrikbre wanbedrijven, Haar razernij en woede u steeds verborgen blijven!

En bij Golombus beeld blijft hij naast Gama pralen. Verlaat, o Zangster! Vergeefs hebt ge, o Natuur! Het hartvcrstijvend oord der Noordpool digt omzet ; Vergeefs!

Homeer verhief de daeden en rampen der Griecken, zijne landslieden, en trompette wat geduurende en na het belegh van Troje gebeurde.

Maro geleide Aeneas, na Priams ondergang, van Xanthus aen den Tiber, en huwde het Latijnsche aen [ fol.

A2v ] het Trojaensche geslacht, waeruit de Romers zich roemen gesproten te zijn. Silius voerde den Punischen, Lukaen den burgerlijcken oorlogh.

Tasso doet der Christenen ooren na hem luisteren, terwijl hy Buljons Christelijcke dapperheit voor Ierusalem zingt.

A3r ] Het en is oock de reden niet ongelijck, dat onze eige zaecken ons meer ter harten gaen, dan die van vreemden en uitheemschen.

Ick vermat my verwaendelijck dit uwe Exc. A3v ] baensche dochter in gevangenis, en onlangs by den degelijcken Iosef in ballingschap geteelt, en van ons, zoo wy best konden, op het Nederduitsche tooneel gebragt, tot stichtelijck vermaeck dezer loflijcke burgerije, en van alle eerlijcke lieden.

Wy vertrouwen dat dit uwe Exc. De Lieden te achten of te verachten na haer middelen, even of men van een Peerd oordeelden na sael, toom, en ysers.

Alle dingen niet te achten na haer innerlijcke kracht [ fol. Waerom sal ik dan dit onredelijk Gemeen in het stuk van de Min gelooven?

Waerom [ fol. Adam en Eva haer dingen gedekt hebben, sullen wy op een ander mael wel eens aen raken. Frans moet spreken, om my aen sommige te beter te doen verstaen soo sult gyse erger vinden als de vuylste Verkens dieder op de Weereld zijn; vol van Gods-lasteringen, ongerechtigheden, [ fol.

En datter staet, dat het beter is te trouwen als te branden, dat sta ik toe. Maer wat branden? Ik weet niet of men niet wel van die haer [ fol.

Ende om hier voort kort af te hakken, dewijl ik het doch al de Wereld niet te pas en sal konnen maken, al praetten ik noch soo lang, seg ik tot besluyt met Horatius: [ fol.

Ende blijve, wenschende U Ed. Volkomen voorspoed ende genoegen, in al wat U Ed. Heer van CL. Van sijn Ed: te ROMEN gemaeckt. Zy nemen vast de wijck, En vlughten haestigh langs den Haerelemmer dijck.

Hoe snel, hoe onverziens is deze kans gedraeit! Hoe zal het gansche land van ons verlossing waegen!

Ons maegschap zit verdruckt, durf schil noch wapen voeren En geeft gewilligh schot en lot, om zoo gerust Te leven, en de glans des adels blijft gebluscht.

Hier holp geen tusschenspraeck van koningen en heeren. Dat weet hy, die het al bezichtight uit den hoogen, En wat in duister schuilt, met zijn alzienden oogen, Ontdeckt tot op den grond, en alle harten kent.

De koning Willem zou getuigen van zijn daeden, Indien hy eenmael moght verrijzen uit het graf. Oock voer ick over zee, om hem de kroon der Schotten Te zetten op het hooft, hoewel het anders viel.

Verblinde menschen, zeght, Indien geen wrock en wraeck uw oogen en verblinden, Zoud hy niet stofs genoegh tot Aemstels onschuld vinden?

Wat leed hy niet al leeds van Bisschop en van graef! Wy streden om den staf, tot datze my en Woerden, Aen weerzy van zijn paerd, tot een triomfe voerden In Uitrecht, met veel smaeds, van yeder aengehoort.

Men heeft my ;t Vrielandsch slot ontweldight, hem Montfoort. Hy schijnt om ons geluck verheughd en wel gemoed. Myn welgeboren heer, de zoete Jezus zy Met u en uwe stadt, en sta u eeuwigh by In allerhande nood.

De Broeders van ons orden En ick zijn zoo verblijd, als ofwe levend worden Getrocken in den troon van Gods volmaeckte vreughd.

Hoe menigh dreigement en vloeck heb ick gehoort! Maer God zy eeuwigh danck, die hunne boosheid schut.

Godvruchte vader, dat u God en Christus loonen, Nadien de broeders zich met u zoo gunstigh toonen Te mywaert.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

0 Gedanken zu „GeveuGelt“

Schreibe einen Kommentar